De ontplooiing van het monochroom in zijn digitale en analoge/grafische verschijningsvorm.

Inleiding:
"De ontplooiing van het monochroom in zijn digitale en analoge/grafische verschijningsvorm" is een onderzoeksproject ingediend door Greet Billet (1). Het startte in 2008 en loopt tot 2010. In onderstaand artikel wordt het project kort samengevat en worden de bekomen onderzoeksresultaten besproken.

Het onderzoeksproject:
Met het onderzoeksproject "de ontplooiing van het monochroom in zijn digitale en analoge/grafische verschijningsvorm" wordt er onderzocht of het mogelijk is om een verbinding te maken tussen een digitale en een analoge/grafische context. Om deze verbinding te laten ontstaan of plaatsvinden is er in de eerste plaats nood aan een digitaal monochroom. Een monochroom waarvan de kleur enkel kan waargenomen worden door de straling van licht (bijvoorbeeld op een computerscherm) en een analoog monochroom. Een monochroom dat bestaat op een tastbare drager en waarvan de kleur waarneembaar wordt door de reflectie van het licht op zijn oppervlak. De meest pure of eenvoudigste herleiding van een digitaal monochroom is een byte, een bestaand computergegeven dat 256 waarden van een kleur bevat. Het analoge monochroom zal bestaan uit een grafische vertaling van het digitale monochroom. Een vertaling die in 256 stappen het spanningsveld weergeeft tussen het additieve en subtractieve, het objectieve en subjectieve of het theoretische en praktische.

additief/substractief:
De basis van het theoretische digitale gegeven is de bit. Een bit is de kleinste eenheid van informatie, namelijk een symbool of signaal dat twee waarden kan aannemen: aan of uit, ja of nee, hoog of laag, geladen of niet-geladen. Het binaire talstelsel stelt deze waarden voor met 1 en 0. Digitaal worden deze bits in groepen van acht geordend, een dergelijke groep noemt men een byte. Een byte komt eigenlijk van het Engelse by eight dat per acht betekent en is de grootte waarmee een computer iets uit het geheugen haalt (per acht bits). Sinds begin jaren zeventig zijn computergeheugens vaak in 8-bit patronen opgebouwd (waardes 0 - 255). Op deze manier kan er digitaal kleur weergegeven worden. Door in een computerscherm rood, groen en blauw of wit en zwart achter elkaar te plaatsen, wordt er door een additieve menging een kleurenbeeld of zwartwitbeeld gevormd. Zo wordt rood, groen, blauw of zwartwit voorgesteld door een byte, dat wil zeggen dat er 256 verschillende rood -, groen -, blauw - of zwartwitwaarden mogelijk zijn. Deze 256 verschillende waarden worden in het onderzoek benaderd als een digitaal, objectief of theoretisch monochroom. Een monochroom dat zich enkel door licht kan tonen of manifesteren. De eerste grote vraag van dit onderzoek is of dit monochroom ook op een analoge drager kan bestaan of overgezet worden. Kan er op een analoge manier een overgang gemaakt worden van bijvoorbeeld wit naar zwart in 256 stappen (zoals op een zwartwitscherm)? Kan er op een analoge manier een overgang gemaakt worden van rood naar zwart, groen naar zwart en blauw naar zwart in eveneens 256 stappen (zoals op een kleurenscherm)? Kan er doormiddel van een bepaalde subtractieve menging een digitaal monochroom op een analoge drager overgebracht worden? Door deze eerste vraagstelling dringt er zich onmiddellijk een tweede aan: kan dit proces weer omgekeerd worden? Kan dit monochroom terug digitaal gemaakt worden? Kunnen deze 256 bekomen analoge waarden gescand of digitaal gefotografeerd worden om terug digitaal te worden? Kunnen deze subtractieve waarden weer additief worden?


objectief/subjectief
Om het digitale of objectieve monochroom om te zetten naar een analoog/subjectief beeld, zijn er een aantal materiële componenten nodig die zorgvuldig moeten uitgekozen worden, zodoende een zo objectief mogelijk resultaat na te streven. Er dient rekening gehouden te worden met een aantal technieken en materialen om een zo objectief mogelijk resultaat te bekomen. Eerst en vooral is er de keuze van de kleur, de inkt of de verf, dan een aangepaste methode om deze kleur zo zuiver of objectief mogelijk op een materiële drager over te brengen, die op zijn beurt ook zo neutraal mogelijk moet zijn.
Bij het overbrengen van 4*256 digitale kleurwaarden (wit/zwart, rood/zwart, groen/zwart en blauw/zwart) naar een analoge drager is de inkt de belangrijkste subjectieve component. Het is de inkt die zich door een doorgedreven onderzoek in 256 verschillende tonen zal moeten laten opdelen of vermengen. In de veronderstelling dat de digitale gegevens op een zo zuiver mogelijke manier analoog/grafisch vertaald moeten worden, is het noodzakelijk dat ‘de hand’ of ‘de toets’ van de kunstenaar tot een minimum beperkt wordt. De zeefdruk techniek is hiervoor een ideale oplossing. Door bij het drukken de inkt door een opgespannen gaas te duwen worden schilderkunstige strepen of toetsen uitgesloten. Naast de inkt is er ook nog de drager, het papier, dat net zoals de zeefdruktechniek, zo onzichtbaar mogelijk moet zijn. Er is geopteerd voor een stevig doch heel glad papier (malmero, 350gr). Dat is de meest gladde en dus onzichtbare of objectieve drager.
Deze onderzoeksmethode, het zeefdrukken op papier, is nog steeds de enige methode om de inkt in 256 verschillende stappen op te delen. Maar er zijn ook een aantal nadelen aan verbonden. Allereerst is er het schaalprobleem. Men kan nooit grotere vlakken drukken dan de zeef of de drager groot is. Dit heeft geen enkele implicatie op de technische onderzoeksresultaten, waarvoor deze schaal irrelevant is. Maar wel voor het werk dat je aan de kijker wil tonen. In dit geval mag de schaal geen technische beperking vormen voor het werk dat je wil uitvoeren in bijvoorbeeld een bepaalde museale context.
Een tweede nadeel van het zeefdrukken op papier is de fragiliteit. Het resultaat van het zeefdrukken op papier is heel erg fragiel en kwetsbaar. Na één enkele tentoonstelling blijken er toch al een heel aantal onderdelen van de 256 drukken beschadigd, door aanraking tijdens de opstelling, door het publiek en zelfs door vocht. Een erg grote voorzichtigheid bij de conservatie is dus aangewezen. Er is bijvoorbeeld geopteerd om de zeefdrukken in Verviers achter glas te tonen, wat de conservatie ervan aanzienlijk vergemakkelijkt, al ging het in dit bepaald geval om een een uitvergroting van negen onderdelen van de 256.
Later tijdens het tweede jaar van het onderzoek, is er ontdekt dat de inkt die gebruikt en uitvoerig onderzocht is danzij het zeefdrukken ook zeer vlak en egaal op de muur kan aangebracht worden. Hierdoor werd het schaalprobleem volledig opgelost.

Dankzij de omzetting van de 256 digitale kleurwaarden van wit naar zwart tijdens het eerste jaar van dit onderzoeksproject (2008), is er een methode ontwikkeld die gebruikt zal worden om de omzetting van de 256 digitale kleurwaarden van rood, blauw en groen te maken. Deze methode maakt het tevens mogelijk om eender welke hoeveelheid kleurwaarden om te zetten naar een analoog grafische drager.


theoretisch/praktisch
Het onderzoeksproject omvat twee grote luiken. Enerzijds is er het beeldende aspect, anderzijds zijn er de technische onderzoeksresultaten. In het beeldende aspect zal er onderzoek gedaan worden naar het monochroom. Hoe kan het monochroom zowel analoog als digitaal bestaan als ruimtelijk werk of als kunstwerk. Kan het monochroom als analoog gegeven omgevormd worden tot een boek dat alle gegevens van dat monochroom bevat? De publicatie of de verschijningsvorm van de onderzoeksresultaten zijn in dit onderzoek erg belangrijk. Gezien de uiterste doorgedreven onderzoeksvorm, van digitaal naar analoog en terug naar digitaal, lijkt een normale gedrukte publicatie vrijwel uitgesloten. De uiterst verfijnde analoge onderzoeksresultaten kunnen onmogelijk geprint worden. Daarom is besloten om enkel te publiceren met de ‘echte’ analoge onderzoeksresultaten, of met andere woorden, met het kunstwerk op zich. De twee mogelijke publicatievormen die gekozen werden zijn het boek en de doos. Ze zullen beide het gehele monochrome oeuvre, zoals het met zeefdruk geconcipieerd zal worden, bevatten.
De technische onderzoeksresultaten bevatten in eerste instantie de procedure die ontwikkeld werd tijdens het drukken van de 256 grijs-varianten. Oorspronkelijk werd er uitgegaan van een lineair kleurverloop of een lineaire kleurcurve die opgedeeld kon worden in 256 gelijke eenheden. Helaas bleken deze eerste testresultaten bij controle van een densitometer niet te kloppen. Kleuren die bestaan uit pigmenten verhouden zich op een heel andere manier ten opzichte van elkaar. Het blijkt dat de overgang van “wit” naar “zwart” niet lineair verloopt, de kleurwaarde voor een druk gemaakt van een mengsel met 50% wit / 50% zwart is niet 50% “zwart”. We moesten dus een curve bepalen die het verband legde tussen de verschillende mengsels van wit en zwart enerzijds en de gemeten kleurwaarden (van “kleur wit” naar “kleur zwart”) anderzijds. De juiste kleurcurve werd gevonden door het drukken van ijk-mengsels. Dit zijn uiterst precies samengestelde mengsels, quasi willekeurig uitgekozen in het spectrum van "volledig wit" naar "volledig zwart". Omdat bij zeer kleine toevoegingen van zwart reeds snel een erg donkere kleur bekomen werd, werden relatief meer mengsels gekozen met een weinig zwart toegevoegd. Het gebruik van een precisie weegschaal bleek noodzakelijk (Kern 350D, 0,01gr).
Voor deze mengsels werden dan de drukken gemaakt (op een consistente manier, die later ook gebruikt werd; zelfde papier, zelfde zeef, zelfde inkt, ...), waarvoor daarna de “kleur”-waarde bepaald werd.
Aan de hand van deze meetpunten werd er vervolgens door een wiskundige methode (“curve fitting”) het verband tussen de bereide mengsels en de gemeten “kleur”-waarden vastgesteld. De “kleur”-as (“wit” -> “zwart”) werd dan opgedeeld in een aantal equidistante punten, in casu 256 stapjes van “wit” naar “zwart”. Aan de hand van de ijkcurve konden de mengsels bepaald worden die overeenstemden met deze “kleur”-waarden. Als controle werden er 20 stalen van deze curve gedrukt en gekeken of hun densiteit overeenkwam met de eerder bekomen curve. De resultaten bleken te kloppen. Aangezien de methode voldoende generiek blijkt te zijn, kan ze mutatis mutandis gebruikt worden voor andere kleuren, en eventueel ook voor een verschillende aantal stappen van “wit” naar “zwart”).



(1): Dit onderzoek refereert naar drie monochrome films Rood/Blauw/Groen van Stefaan Quix.